Armoe?
Voorjaarsvakantie en hij was toch in de buurt. Een ex-collega uit Nederland had zijn komst wel aangekondigd, maar ik had er niet op gerekend dat hij al om acht uur ’s ochtends zou bellen dat hij er was, in het dorp. Moeilijk te vinden, had ik gewaarschuwd. Hij was kennelijk extreem vroeg op weg gegaan en niet verdwaald. Omdat mijn huis in de natuur verstoppertje speelt, spreek ik met nieuwkomers en pakketbezorgers altijd op de parking van de cave af, die is niet te missen, waar je ook vandaan komt.
“Deux minutes!” zei ik met gespeeld enthousiasme. Het regende en ik was nog bezig met het ochtendritueel van dit seizoen: brandhout onder het dekzeil vandaan sjorren. Toen de boomstammetjes in de serre lagen, bedacht ik me dat mijn gast ‘deux minutes’ waarschijnlijk letterlijk zou nemen en ik was al zeker tien minuten verder. Nog rubber-gelaarsd en in waterbestendige jas stapte ik gehaast de auto in. Weer vergeten dat on-Fransen natuurlijk niet weten dat ‘deux minutes’ een tijdsaanduiding is die van alles kan betekenen, maar nooit twee minuten. Een kwartier, een halfuur, een heel uur desnoods, ’t is allemaal ‘deux minutes’. Ik ben eraan gewend en ik vind dat wel een illustratie van het gemoedelijke tempo in het Provençaalse achterland.
Als ik gasten op die cave-parking ontvang, kijk ik altijd eerst even onder hun auto. Dat wekt enige verbazing. Of ik word meteen voor gek verklaard. Maar je hebt van die ultra-laag hangende voertuigen met onder de bumper vaak ook nog iets van uitsteeksels en daarmee red je het niet op de piste naar mijn huis, al helemaal niet als het regent en de bandjes lekker wegzakken. Dit was er weer zo één, mijn gast moest zijn wagen laten staan en bij mij instappen.
“Wat een armoe”, werd er gezucht.
Ik legde uit dat hij even op me had moeten wachten omdat ik nog met het hout bezig was geweest. Ik voorvoelde dat hij weer ‘wat een armoe’ zou zeggen. Nee, dan hij in zijn Rotterdamse appartement. Even op een knopje drukken en in een mum van tijd een behaaglijk temperatuurtje. Bij de koffie keek hij een beetje misprijzend rond. En inderdaad, mijn huis kom je niet tegen in een gemiddelde glossy. Hij zei het net niet, maar ik zag hem denken ‘wat een armoe’. Blijkbaar ook weer zo iemand die geen benul heeft van het verschil tussen de echte Provence en de glamour-Côte d’Azur. Ik praatte hem bij over mijn leven in ‘deze wildernis’ in de buurt van een gehucht zonder tankstation, zonder flappentap, zonder supermarkt, zelfs geen dokter of een apotheek. “Wat een armoe”, stelde hij nogmaals vast.
“Maar we hebben al wel telefoon hoor”, grapte ik, “en vaak ook wel stroom.” Echt gezellig werd het niet. Toen ik hem na de lunch naar zijn auto terugbracht, vroeg hij of ik niet jaloers was.
“Hoezo? Waarop?”
“Nou, in een stad ben je toch veel beter af?”
Ik ging er maar niet op in en dacht ‘wat een armoe in dat hoofd van jou’.
Ik liep nog even naar het café, gaf iedereen een zoen, kreeg mijn rosé aangereikt.
“De tragiek van het plattelandsleven”, had hij ook nog gezegd. Dat zat me toch dwars.
Tot ik naar huis reed. De mistral had zijn werk gedaan, het licht van de Provence was terug, de olijfbomen stonden er fris en indrukwekkend bij. Thuis zette ik het raam van mijn kantoor open en werd vanuit de tuin begroet met een uitbundig vogel-concert.
Wat nou, armoe!?
Deel dit artikel
Meer inspiratie?
Dan hebben we een suggestie! Lees Côte & Provence magazine 4x per jaar met een eigen abonnement en ontvang een prachtig Frankrijkboek, of koop de actuele editie die nu in de winkel ligt.