Columns

Code rood

Soms, heel soms, overvalt de echtgenoot iets van zelfstandigheid. Waar ik normaal gesproken word ingezet als bezemwagen, waterdrager, meesterknecht (vul maar in, ’t is Tourtijd tenslotte) rispt er heel af en toe iets op van ‘dat kunnen wij zelf wel’. Let op, koninklijk meervoud hè. Meestal gebeurt dat nadat ik nadrukkelijk heb aangegeven dat de beoogde missie tot mislukken gedoemd is, dan wel minstens enige heroverweging verdient. En hoewel mijn ‘koosnaampje’ in de huiselijke kring ‘la sorcière/de heks’ is, maak ik ‘m niet altijd waar. Ik bedoel, soms heb ik gewoon gelijk, en dan ben ik zo aardig om iemand tegen zichzelf in bescherming te nemen. Bijvoorbeeld omdat het écht geen goed idee is om voor een stokbroodje bergop naar het dorp te fietsen als het 34 Cº in de schaduw is. Of omdat het die aardige jongen bij het tankstation in het stadje verderop heus een tikkie beter is toevertrouwd om de bandenspanning van onze voiture weer op peil te krijgen: “ja ja, hij weet echt wel hoeveel lucht erbij moet”.
Dat valt meestal verkeerd. Standaard uitdrukking hier in huis: “O god, ze bedoelt het aardig? Berg je dan maar!” Ik bemoei me dus zo weinig mogelijk met onverwachte oprispingen en laat de dagelijkse gang van zaken zo soepel mogelijk de dagelijkse gang van zaken wezen.
Tja, en dan roept er ineens iemand vanaf de voordeur terwijl je net een stukkie over de dreigende ‘canicule’ zit te tikken: “Wat is mijn code ook alweer?”
“Code rood,” riep ik verstrooid over m’n schouder.
“Humor?” klonk het terug.
De echtgenoot had zijn bankpaspincode bedoeld. Die hij zelden of nooit gebruikt, ik ben in dit huishouden de minister van financiën, of in elk geval van de betalingen. Maar nu ineens in een vlaag van verzelfstandiging dacht hij zijn bankpas nodig te hebben. Hij ging naar het dorp, ik had het druk. Dus dan maar op eigen gelegenheid sigaren halen bij de tabac, en vanzelfsprekend even de stemming peilen in de kroeg voor de finale van zondagavond. Tuurlijk, logisch, groot gelijk. Ik gaf hem z’n pincode op een briefje. En vertelde erbij dat ie bij de tabac alleen z’n kaartje maar langs dat pinapparaat hoefde te halen; ze doen er hoogst modern aan contactloos betalen.
“Neem meteen wat cash op”, riep ik hem na, “in de kroeg is het contant aftikken.” Wist ie toch, dat de tabac ook bank was, kwam goed.
Riant op tijd voor het diner was hij terug. En smeet mijn portefeuille op tafel: “Die rotpas deugt niet!”
Wat of het probleem was?
“Bij de tabac heb ik dat kreng wel drie keer langs dat apparaat gehaald, en elke keer werd het ding geweigerd wegens ‘onjuiste code’. Ja hoor, ik kreeg wel een doosje sigaren mee, ze kennen me intussen, maar ik vond het zó genant dat ik niet eens meer langs de kroeg geweest wegens geen cash.”
“Welke pas heb je gebruikt?” vroeg ik meelevend (niet m’n beste pose), door de pasjes in de portefeuille bladerend.
“Deze!” wees hij het knalrode klantenkaartje van de supermarché uit de grote stad aan.
Dan kun je twee dingen doen: verwijtend roepen dat elke *** toch wel een bankpasje van een klantenkaartje kan onderscheiden. Of onder de tafel rollen van het lachen. Ik koos voor de derde optie: we zijn op het dorp lekker uit eten gegaan. En met de rekening is het helemaal goed gekomen.

Meer inspiratie?

Dan hebben we een suggestie! Lees Côte & Provence magazine 4x per jaar met een eigen abonnement en ontvang een prachtig Frankrijkboek, of koop de actuele editie die nu in de winkel ligt.