De laatste telefooncel
Het stond deze week in de krant. De laatste openbare telefooncel van Marseille wordt opgedoekt. Er zijn er in heel Frankrijk nog maar 300, in de Bouches-du-Rhône tien, en bij mij in de Var kom ik niet verder dan drie. Functionerende cellen dan, er staan er hier en daar nog wel een paar maar die maken geen verbinding meer en hebben een andere functie gekregen, mini-bibliotheekje bijvoorbeeld. Daar heb je niet zoveel aan als je in een zogenaamde ‘zone blanche’ woont, een gebied waar geen mobiel bereik is. En ja hoor, die zijn er hier in de Provence nog volop, al hebben de vier grote telefoonoperateurs wel toegezegd dat ze die over drie jaar wel zo’n beetje hebben weggewerkt. Zou me verbazen. Bovendien: moet je dan nú al alle telefooncellen weghalen? Zit je toch mooi een paar jaar zonder (nood)verbinding. En nee, je kunt niet even een stukje verderop gaan staan om te kijken of je daar wel bereik hebt; met name op het platteland zijn die ‘zones blanches’ vele kilometers groot.
Die laatste cel van Marseille staat overigens ook niet middenin de stad, maar op l’île du Frioul. Inderdaad, een eilandje, daar moet je met een bootje naartoe. En de eilandbewoners hebben de grootste moeite met hun mobiele bereik. ‘Jammer dan’ zegt Orange, ‘het in stand houden van die cabines kost zo’n 10 miljoen per jaar.’ Dus zoek het maar uit. De slogan van Orange ‘toujours un temps d’avance pour vous rendre service’ (altijd een stapje vooruit om u van dienst te zijn) lijkt nu toch eerder een schop onder de kont van telefooncelafhankelijken.
En ik kan het weten, ik woon in zo’n ‘zone blanche’. Als de nood aan de man is, moet ik een paar honderd meter de berg op tijgeren om een streepje verbinding te krijgen. En bijvoorbeeld 112 te kunnen bellen, zoals toen mijn buurman ‘een ongelukje’ had gehad, een paar aders in z’n arm had doorgesneden en bloedend als een rund op de stoep stond. Ik kon ‘m nog net voor hij van de kaart ging in de auto hijsen, ter hoogte van de brievenbus de pompiers bellen en naar het dorp racen waar ik hem aan de nooddienst zou overdragen. Op goed geluk afgesproken bij de fontein, want ook in het dorp is er geen mobiel bereik en een telefooncel is er al jaren niet meer. Het liep goed af, maar ik kan me zo voorstellen dat er noodgevallen in ‘zones blanches’ niét goed aflopen.
En dan is er nog het nostalgisch aspect. Slaat nergens op, maar ik heb onbetaalbare herinneringen aan de telefooncel. Toen ik hier pas kwam wonen, zo’n ruime kwarteeuw geleden, en mobieltjes nog moesten worden uitgevonden. En als je dan als kersverse émigrée geen stroom en dus ook geen verwarming blijkt te hebben en het toch wel héél koud is in de subtropische winterperiode, ga je op zoek naar een telefooncel om de EDF (de stroomleverancier) te bellen. Tamelijk wanhopig probeerde ik in mijn toen nog beste Frans uit te leggen dat ik een probleem had in mijn nieuwe onderkomen. Op steeds luidere toon mijn ellende ventilerend. Toen werd er op de cel geklopt. “Hoh, doucement! Je peut t’aider?” Ik zag een tamelijk verwilderde langharige hippie me vriendelijk toegrijnzen.
“Qu´est-ce qu’il y a?”, vroeg de hippie, die zich voorstelde als Henri, de elektricien van het dorp. Het vak geleerd van z’n vader. En net als z’n vader de beminnelijkheid zelve. Ondanks zijn rock & roll Rolling Stones-uiterlijk. Ik vond ‘m op slag absoluut niet verkeerd.
Ik hing de EDF op, die mij toch al oeverloos in de wacht liet hangen, en legde Henri mijn probleem uit. Hij begon meteen te stralen. “Pas de souci hein. On va te dépanner.” Samen met zijn vader kwam hij me diezelfde middag inderdaad ´dépanneren´: draadje hier, verbindinkje daar, en er was stroom! Bij een dankbare Ricard maakten we nader kennis en sindsdien zijn we al een kwart eeuw goed bevriend. Kijk, dat bedoel ik met onbetaalbaar: zonder die cel op dat dorp had ik Henri nooit ontmoet. Ik snap best dat de tijden zijn veranderd, dat vrijwel iedereen een mobieltje heeft en dat die ‘witte plekken’ ook wel weggewerkt zullen worden te zijner tijd. Maar met de teloorgang van de telefooncel gaat er weer en stukje sociale omgang verloren, is er weer een plekje weg waar mensen elkaar tegenkwamen en – net als bij de dorpspomp – roddels en weetjes en burenhulp uitwisselden. Weleens in de rij voor een cel gestaan? Nou dan.
Gelukkig hebben we het café nog. En hier op mijn huidige dorp heb je daar geen mobiel bereik, zoals ik al zei. Je moet met elkaar práten. En als over een paar jaar ook onze ‘zone blanche’ uiteindelijk is opgeheven hoop ik dat de kroegbazin een bordje bij de deur hangt met de tekst ‘portables interdits’, zodat niet iedereen alleen nog maar op zichzelf zit te turen. Nou ja, met uitzondering van een paar ‘die hards’ dan, maar die turen in hun glas. En dat deden ze altijd al.
Deel dit artikel
Meer inspiratie?
Dan hebben we een suggestie! Lees Côte & Provence magazine 4x per jaar met een eigen abonnement en ontvang een prachtig Frankrijkboek, of koop de actuele editie die nu in de winkel ligt.