Caspar Visser 't Hooft

Fête de la Musique

Ik dacht: laat ik eens gek doen. Niet door de hitte bevangen hoor, ’t is allemaal prima uit te houden en officieel is het hier nog helemaal geen ‘canicule’ (hittegolf). In andere delen van Frankrijk wél, maar dat schijnt er dan weer mee te maken hebben dat zo’n canicule in Parijs begint bij 3 dagen 31 graden en bij ons pas bij 3 dagen 34. Of zoiets. Zal allemaal wel en ik wist al dat het niet alleen in klimatologisch opzicht bij ons in de Provence altijd warmer is dan in de rest van de nation Macron. Een paar keer per dag banjer ik met mijn honden door de rivier, ofschoon er maar weinig water meer in staat, de wijnboer van verderop klaagde in het café al steen en been over de droogte.
Maar goed, ik vond gisteren dat ik naar het Fête de la Musique moest. Toen ik pas in Frankrijk woonde, ging ik er elk jaar naartoe en vond ik het een hele belevenis. Voor de musici een plankier op de fontein voor de kroeg, chansons en musette, dansen op straat, het had wel wat. Tot de ‘vernieuwende’ burgemeester besloot dat er ook ruimte moest wezen voor ‘heavy metal’ en andere pokkenherrie. Ik ging niet meer. En ik verhuisde niet lang daarna.
Ik woon nu in – of eigenlijk bij – een ander gehucht en een keertje kijken hoe het hier zou gaan, waarom niet? De echtgenoot die festiviteiten mijdt als de pest, verklaarde me voor gek. Kon me niks schelen. En een ouwe truc om ‘m toch mee te tronen is dan: even een vorkje prikken buiten de deur. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. We hebben maar één min of meer aanvaardbaar restaurantje op het dorp. Je zou in theorie telefonisch een tafeltje kunnen reserveren, maar het 06-nummer wordt nooit opgenomen. Ik reed er dus maar even vroegtijdig heen (je weet per slot maar nooit hoe druk het wordt) om aan te kondigen en vast te leggen dat we het Fête de la Musique vanaf het mini-terrasje van het beknopte eethuisje gingen meemaken.
Zo tegen half negen parkeerden we op het vrij lege parkeerterreintje onderaan het dorp, dat deels bleek te zijn afgesloten; daar was ineens een podium verrezen. ‘Dit gaat straks leuk worden!’, dacht ik handenwrijvend. Van iets verderop klonken al klanken, die me overigens niet speciaal als muziek troffen, maar goed. Ze bleken voortgebracht te worden door een duo dat – zou ik later te horen krijgen – was geregeld door het restaurantje. We namen plaats aan ons gereserveerde tafeltje op het terrasje dat van het eethuisje werd gescheiden middels de doorgaande weg door het dorp. Op de smalle stoep naast het eethuisje stemde een duo de apparatuur: een elektrische gitaar en een modern uitgevoerde viool die met recht de kwalificatie jammerhout verdiende, zelden zo’n minimalistisch eigentijds vormgegeven stukje strijkhout gezien. De violist, voorzien van de heersende moderne Kim Jong-un coupe die aan een kant helblauw was geverfd, kondigde met een loodzwaar Amerikaans accent in z’n beste Franglais aan dat we als openingsnummer een geheel eigen compositie te horen zouden krijgen. En verdomd, dat klonk lang niet verkeerd, al stond de versterker op standje stadion. Ik luisterde verbaasd naar de loopjes en riedeltjes en franjerandjes van de compositie die me ergens wel héél bekend voorkwam. “Joh, da’s van Bach!” schreeuwfluisterde ik over het tafeltje heen naar de echtgenoot. Je moet het maar durven, Bach ‘revisited’ als je eigen compositie te verkopen. Het werd er niet beter op toen het Texaanse duo, zoals inmiddels was uitgelegd door de restauratrice (“friends”), echt eigen repertoire ging spelen, nog steeds middels die versterker waaraan de knop ‘zachter’ blijkbaar ontbrak. Maar je kon ook de CD kopen. De echtgenoot en ik concentreerden ons op onze borden, goed voedsel, daar niet van, maar tot iets van een tafelgesprek kon het niet komen. Naast ons zaten Fransen met een hondje waarom ze zich niet bekommerden; het leek ons een gevalletje echtelijke onmin. Het beestje zat er overduidelijk diep ongelukkig mee in z’n maag, en had dorst. We schonken ‘m een glas water in dat ie in één keer leeg slobberde, en stopten ‘m zo af en toe iets lekkers toe dat hij dankbaar aanvaardde. Texas was inmiddels overgegaan op country- & western, ze gingen er ook nog bij zingen.
Vanaf het terras keken we eens naar het podium op het parkeerterrein beneden ons. Niets en niemand. We rekenden af en wandelden nog even naar onze stamkroeg, zelfs daar kon je de Texanen loeihard horen.
“Wat ís dit?”, vroeg ik aan de kroegbazin, die buiten een dampertje stond te doen. Ik wees naar een groot gezelschap Britten dat op háár terras zo te zien een geheel eigen maaltijd zat te verorberen. Overduidelijk meegebrachte proviand uit alufolie, plastic schalen en zelfs rieten picknickmanden, stond uitgestald op de terrastafeltjes. “Ja, nee,”, zei ze een beetje verontschuldigend, “ze vragen elk jaar of het mag. Ze nemen hier een soort afscheid van elkaar, ze gaan terug naar Engeland na hun vakantie. Mij best, ik ben geen restaurant, ik moet er niet aan denken, en ik verdien zo toch nog aardig, want ze drinken lekker door.” Ze deed er een ons-kent-ons knipoog bij.
Ik vroeg naar het Fête de la Musique. En waarom er niks te beleven was, behalve dan die Texasherrie. “Er is niks geregeld”, vertelde ze schouderophalend. “Niks door de burgemeester, niks door de winkeliers. Als die Amerikanen niet door dat restaurantje waren opgetrommeld, was er helemaal geen muziek geweest.”
Ik deed nog een rosé en dacht aan Jacques Lang, de minister van Cultuur onder president Mitterand die destijds elk jaar op 21 juni het Fête de la Musique in alle Franse gemeenten gevierd wilde hebben. Mooie traditie, maar in mijn dorp werd die overeind gehouden door een paar langslopende Amerikanen. Die vast hun best deden, maar ik reed toch een beetje somber terug naar huis.
“Niet meer doen”, zei de echtgenoot, “maar ik heb wel lekker gegeten hoor.”
Het zit niet in m’n aard, maar ik moet hem gelijk geven. Maal twee.

Meer inspiratie?

Dan hebben we een suggestie! Lees Côte & Provence magazine 4x per jaar met een eigen abonnement en ontvang een prachtig Frankrijkboek, of koop de actuele editie die nu in de winkel ligt.