Geen genadeschot
Ik wil een geweer, nu, meteen! Beetje rare openingszin, maar ik zal het uitleggen. Krijg je meteen een idee over een andere kant van het leven in de Provence.
Sinds bijna een week lijd ik overdag en ’s nachts letterlijk mee onder het verschrikkelijk aangrijpende gehuil van een aangeschoten everzwijn. Ik hoor het niet permanent en het geluid verplaatst zich, maar om de paar uur een hortend en stotend huilen dat me door merg en been gaat.
Zondagavond al stonden de echtgenoot en ik met zaklampen waarvan de batterijen al lang vervangen hadden moeten worden, zwakjes vanaf het terras het dal in te schijnen. Niks te zien natuurlijk, dus maar zover mogelijk naar beneden getijgerd, de ruig beboste berghelling af, richting de rivier, waar het struikgewas zelfs voor geoefende natuurtypes te ondoordringbaar wordt. Er was in het weekeinde flink gejaagd, wat ik vreselijk vind, maar er valt weinig tegen te doen tenzij je zelf overhoop geschoten wilt worden en president Macron is een vriend van die dierenmoordenaars. Goed voor een paar miljoen stemmen bij de verkiezingen.
Wakker van intriest gehuil
Onverrichterzake gingen we bedroefd en ontmoedigd maar weer huis, we hadden geen spoor van het arme dier gevonden. Het was nog lekker weer, maar we hadden geen zin in een glas rosé op het terras. We gingen binnen zitten, deden de ramen dicht en probeerden ons voor het gejammer af te sluiten. Kansloos en ’s nachts werden we steeds wakker van dat intrieste gehuil.
Ik ga bellen, besloot ik maandag.
Eerst maar de dierenbescherming, de SPA (Société Protectrice des Animaux) waarvan ik donateur ben. Ik werd nog net niet weggehoond, en dat was even slikken. “Madame, denkt u echt dat we ons met aangeschoten wild bemoeien? We zijn meer van de honden en katten.” Ik werd doorverwezen naar de mairie waar mijn hulpverzoek tamelijk lacherig werd afgedaan. Een dier in doodsnood, “Madame! Enig idee hoe druk we het hebben met dingen die wél belangrijk zijn?”
Mij scheep je zomaar niet af
’t Is misschien omdat ik ondanks al die jaren in de Provence nog altijd iets Rotterdams in me heb: mij scheep je zomaar niet af. En na een paar vileine vragen kreeg ik een telefoonnummer van de ‘police rurale’. Heb ik weleens een auto van zien rondrijden, meestal met de burgemeester achter het stuur (auto van de zaak? hij is ‘eco’ maar tuft privé in een dikke VW diesel), maar geen idee waar die plattelands-politie nou eigenlijk over gaat. Of wat ie doet.
De veldwachter zou langskomen
Ik maar weer bellen
Ik herkende meteen de stem van de champêtre (veldwachter) van mijn dorp.
Officieel is hij een ASVP (Agence de Surveillance de la Voie Publique), wat zo iemand kan of mag, heb ik nooit begrepen. Een soort verkeersregelaar, denk ik. Er is bij ons amper verkeer, dus noemt iedereen ‘m in het dorp heel ouderwets champêtre. Mar hij bleek dus ook ‘garde de chasse’ te zijn, soort van toezichthouder op de jacht, begreep ik.
Ik legde uit wat er speelde en werd meteen serieus genomen. Althans, zo klonk het. Hij zou meteen jagers alarmeren en morgen hoogstpersoonlijk langskomen. Vermoedelijk voor nader overleg.
“Hoe laat?”, vroeg ik.
Dat was meteen even een dingetje: druk, druk, druk.
De volgende ochtend, na weer een doorwaakte nacht met om de haverklap hartverscheurend gehuil, durfde ik niet meteen onder de douche. Wat, als die man nou vroeg langskwam?
Het was kwart over negen toen ik aan de espresso op m’n terras over de lastige piste langs het ravijn een gele Fiat Panda 4 x 4 tegen een paaltje zag opbotsen. Champêtre, wist ik meteen. De bestuurder stapte uit, ik legde mijn honden het stilzwijgen op, de chauffeur nam de schade op. Het viel mee.
Even later spraken we elkaar op m’n terras. Wat zou kunnen? Nee, hij had nog geen jagers ingeschakeld voor een genadeschot (coup de grâce), dat ging ie in de loop van de middag zeker nog doen. Ik bood iets te drinken aan, maar nee, geen tijd, geen tijd.
De gekkin van het ravijn
We zijn inmiddels een paar dagen verder.
Overdag en ’s nachts brult het aangeschoten dier zijn misère uit. Bij elke klaroenstoot aan ellende lopen de rillingen me over de rug. Ik kan er niet van slapen, ik kan er niet van werken.
Ik heb vandaag dus maar wéér gebeld.
Nee, er waren nog steeds geen jagers met gericht vuur uitgestuurd. Want andere mensen in de nabije omgeving hadden niets bijzonders gehoord, zelfs niet de ex-kroegbaas (zelf jager) die schuin tegenover me aan de andere kant van de rivier woont, die ik goed ken en die nooit iets aan z’n oren mankeerde als ik iets bestelde.
Ik sta bij de ‘police rurale’ nu dus te boek als de gekkin van het ravijn die dingen hoort die nergens over gaan.
Zal best, zal me ook een zorg zijn, maar ik heb het over een dier dat inmiddels wanhopig naar een genadeschot verlangt, zwaar gewond is geraakt door idioten die er voor hun plezier een beetje op los knallen en te belazerd zijn een miskleun goed te maken door het door hen aangeschoten wild op te zoeken en uit z’n lijden te verlossen. “Ach, gaat toch uiteindelijk vanzelf wel dood.”
Dan maar Amazon?
De echtgenoot en ik zijn somber. Wat kunnen we nog?
Als we nou een geweer hadden? Deden we het zelf.
“Amazon levert vast binnen een paar dagen”, opperde de echtgenoot, cynicus van beroep.
Ik zou er niet op rekenen, zelfs een bestelde vuilnisbak is al maanden onderweg.
Bovendien, zou ik de trekker over durven halen, áls we het dier gevonden hadden? Misschien zijn Moeder Natuur of onze Lieve Heer genadig.
Terwijl ik een schietgebedje doe, heft buiten een wanhopig huilen aan.
Ik haat jagers.
Deel dit artikel
Meer inspiratie?
Dan hebben we een suggestie! Lees Côte & Provence magazine 4x per jaar met een eigen abonnement en ontvang een prachtig Frankrijkboek, of koop de actuele editie die nu in de winkel ligt.