Herbergier zonder kassa
September, we zijn weer onder ons. In het dorp stuiptrekt de uiterst beknopte toeristenindustrie nog een beetje na, maar de ‘snack’ is alweer gesloten, de pizzeria volgt dit weekeinde en de tabak en épicerie hanteren weer winter-openingstijden, wat vrijwel altijd dicht betekent en de scoringskans op een doosje sigaren tot vrijwel nul reduceert. Ook de kans op ‘spontane’ vakantievisite is dramatisch afgenomen.
Een van de voornaamste nadelen van wonen in Zuid-Frankrijk is de hersenbeschadiging die familie, vrienden en kennissen oplopen zodra jouw emigratiebericht hen heeft bereikt. Ineens word je zonder enige reden aangezien voor een herbergier en dan zo eentje aan wie het fenomeen van de kassa voorbij is gegaan. Een onverklaarbare deuk in het denken, ook bij lieden die nooit eerder de indruk wekten dat ze kandidaat voor de Josti-band waren. “Van de zomer komen we gezellig langs hoor!”, is zo ongeveer de algemene reactie als je nieuwe adres in het zuiden als een soort ‘breaking news’ je kleine wereldje van ‘relaties’ overspoelt.
In mijn naïviteit heb ik den beginne wel volk ontvangen. Tot het te gek werd. Ik wil in mijn woonkamer niet over luchtbedden tuimelen en ik wil er niet ‘en urgence’ op uit gestuurd worden omdat er een zestal uitbundige vakantiegenieters plotseling moet mee-eten, en vooral drinken. Als ik weer eens gestrest 10 liter rosé bij de ‘cave’ kwam afnemen, begrepen ze daar al dat ik weer logerende visite had. “Courage!”, werd er dan gezegd. Mijn ‘carte bancaire’ sloot zich daarbij aan.
Je had vroeger (of misschien nog wel) een Nederlandse uitdrukking: ‘visite en vis blijven drie dagen fris’. Ik heb daar inmiddels drie uur van gemaakt. Ik heb geen bezwaar tegen een beknopte bijpraatsessie met de fles, olijven en tapenade op tafel, maar het moet niet te lang duren. Kandidaat-logés attendeer ik nu steevast op de unieke charme van het hotelletje met de doorgezakte bedden in het gehucht of anders op het adres van een bevriende exploitant van een chambres d’hôtes, een dorp verderop.
Een tweede bewijs dat zomervisite onder verstandsverbijstering gebukt gaat, is hun krankjorume idee dat ik ben aangesteld als ambtenaar van alle Offices du Tourisme in de regio en dat ik tevens als gids bij-schnabbel. Of ik, die de weg immers kent, meega naar Saint-Tropez, de Gorges du Verdon of het strand. Mij niet gezien, de attractie van krioelende massa’s is aan mij niet besteed. Of ik dan misschien weet waar ze nog meer naartoe moeten in de categorie ‘niet te missen’? Dan geef ik wat tips over een lastig te beklimmen pronte berg, een lavendelveldje waar het naar een boudoir ruikt, een château met te dure wijn en een artistiek gedacht gemeenschapje van kladschilders. Nimmer vergezel ik hen en al helemaal niet naar een van de schier ontelbare pittoreske dorpjes die een tijdje terug door ongeschoolde Romeinse dan wel middeleeuwse bouwvakkers met de velpon van toen in elkaar zijn gelijmd. Ik heb ze allemaal een keertje bezocht en ik weet: heb je er eentje gezien, dan kun je de rest overslaan. Alle als ‘schilderachtig’ geafficheerde dorpjes bestaan voor circa 80% uit door artrose kromgetrokken kraakpanden in struikelstraatjes. Potten met bloemen moeten er nog een beetje sjeu aan geven en de ‘boulangerie artisanale’ is in werkelijkheid vaak een ‘depôt de pain’ waar zelfs niet meer afgebakt wordt.
Toch komt de vakantievisite vrijwel elk jaar terug. En dat begrijp ik niet. Wat zien zij in de Provence dat ik niet (meer) zie?
Deel dit artikel
Meer inspiratie?
Dan hebben we een suggestie! Lees Côte & Provence magazine 4x per jaar met een eigen abonnement en ontvang een prachtig Frankrijkboek, of koop de actuele editie die nu in de winkel ligt.