Kapper
Van huis uit ben ik niet bedeeld met een weelderige haardos. Lang geleden dacht ik dat je daar wat aan kon doen door er bijvoorbeeld een bepaalde shampoo in rond te schuimen, er iets van een verstevigend middel doorheen te kneden, of er wat de reclame nog meer in de aanbieding had in te investeren. Dat bracht geen verbetering, dus daar ben ik op zeker moment maar weer mee opgehouden. Ik besloot dat een kapper weleens de verlossing zou kunnen brengen. In toentertijd moderne tijdschriften zag ik fraaie voorbeelden van volumineuze kapsels. In laagjes geknipt, stond er dan vaak bij. Leek me de ideale oplossing. Ik nam zo’n blad mee naar een kapper, als voorbeeld. “In laagjes geknipt?” schamperde de Figaro, “mevrouw, u heeft maar één laagje!” Ik ben nog steeds bezig dat trauma te verwerken.
Maar ja, haren groeien en dan moet er ook bij ‘cheveux fins’ weleens een stukkie af om de boel niet al te zeer te laten verpiekeren. In de uiterwaarden van de landschappen waar ik her en der woonde, betekende dat de schaar pakken, de ‘lokken’ met een elastiekje in een staartje bijeen wriemelen, en met één knip was de klus weer voor een half jaar geklaard. Altijd scheef, dat wel, maar met een beetje schuinhangend bijknippen kwam ik een heel eind. Ik haalde het niet in m’n hoofd om aan de echtgenoot te vragen de boel te herstructureren; als er iemand kampioen scheefknippen is, is hij het wel.
Tja, en toen kwam ik in dit dorp wonen. Geen apotheek, geen bank, geen serieuze bakker, geen ‘station de service’ maar inderdaad, mèt kapsalon. Die ik vanzelfsprekend meed als de pest. Tot de ‘salon’ met sluiting werd bedreigd; de grijze permanentjes stierven uit, de jongelui van de hippe knipjes en verfjes waren te weinig in getal om voor een stevige omzetgarantie te zorgen. Er kwam een offensief, vanuit de kroeg: iedereen naar Chantal. Dan wil je niet lullig doen. En op zekere dag stapte ik dapper binnen. “Klein stukje eraf, van achteren?”
Chantal bekeek me met geforceerde kennersblik, en ik zag haar denken ‘klein stukje van wàt?’ Maar ze hield zich goed. Het zojuist gezette pluispermanentje voor mij, ook. Ik werd met het hoofd achterover in zo’n wasbak besproeid, ik haat dat, maar ‘anders kun je niet knippen’. En werd daarna in de knipstoel gepoot. Het grijze permanentje had geen zin om te vertrekken en nestelde zich met de promofolder van ‘les outilleurs’ – een firma die met een enorme truck met oplegger langs dorpjes trekt waar ze geen serieuze winkels hebben voor huishoud- en tuingedoe – op het wachtbankje naast de ingang. Ze bladerde langs de plaatjes en gaf commentaar, en haar voorkeuren prijs. Chantal babbelde lustig mee, over gietijzeren pannen, trapladdertjes, badmatten en ik geloof de hele verdere handel die er in die godvergeten catalogus voorhanden was. Intussen heen en weer schuivend tussen mijn haren en dat grijze permanentje; uiteindelijk stond ze meer over die folder dan over mijn hoofd gebogen. De scherpe schaar gebarend in de lucht, het commentaar op elk voorbijkomend product met een ferme zwaai van het kappersgereedschap onderstrepend. Dat is me uiteindelijk fataal geworden. Nadat de laatste lok gesneveld was, hield ze een spiegel achter me omhoog, zodat ik in de spiegel voor me kon zien wat ze had aangericht. “In orde zo?” Ik zag het drama: scheef! En zei lafhartig: “Ja ja, prima.” Ik wilde maar één ding: weg! En nooit meer terug. Terwijl Chantal denkbeeldig wat afgeknipte haren bijeen veegde haalde ik de verschuldigde euri uit de portemonnee en dacht ‘Zondegeld. Ga jij maar lekker gauw failliet meid, mij zie je hier nooit meer terug’.
Bij thuiskomst zei de echtgenoot: “Nou, dat maakt het verschil hoor.”
In de badkamer heb ik het allerscheefste een beetje recht geknipt. En daarna met vaste hand een flink glas rosé ingetapt.
Deel dit artikel
Meer inspiratie?
Dan hebben we een suggestie! Lees Côte & Provence magazine 4x per jaar met een eigen abonnement en ontvang een prachtig Frankrijkboek, of koop de actuele editie die nu in de winkel ligt.