Lekker begin
Zo. Dat was dus weer een lekker begin van het nieuwe jaar. Ik dacht: hup, toch maar even naar het dorp op 2 januari, iedereen in de kroeg gelukkig Nieuwjaar wensen, hoort erbij. De echtgenoot – in allerlei opzichten toch al niet zo van het wensgedrag – begon er niet aan. Had bovendien van alles gelezen over een griep-epidemie in de Var. “Thuisblijven, deuren dicht, geen bezoek ontvangen”, werd me toegevoegd met een gecultiveerd kuchje erbij.
“Mwah’, vond ik, “zodra er iemand ergens in Frankrijk een ietsie-pietsie hoest, wordt er al paniekerig over een epidemie gerept. Zijn ze hier goed in, in overdrijven, het zal zo’n vaart wel niet lopen.” Ik wierp nonchalant een das rond de hals en een kushand naar de hoofdschuddende misantroop in de serre. Waarna de vaart in m’n kwieke aftocht ophield.
‘Leeglopert’, constateerde ik op z’n Rotterdams toen ik de voiture waarmee ik naar het dorp dacht te kachelen naderde. Ik zag dat de bolide er een beetje raar bij stond, tikkie overhellend naar een kant, beetje hurkzittend van achteren. De rechterachterband hield nog wel een béétje de adem in, maar lang ging dat niet meer duren. En het dorp was beslist een ademtocht te ver. Bon. Officieel dacht ik ‘hij is fijn’, dus herhaal ik hier maar niet wat ik spontaan uitriep, en waar een Feyenoord-hooligan na een nederlaag in de ArenA op weg met de laatste trein van 020 naar 010, nog z’n excuses voor zou hebben aangeboden. Ja zeg: een auto hoort het te doen en een lekke band is wel héél erg van vóór de industriële revolutie. Bovendien zat de schrik er goed in. Een paar jaar geleden had ik tijdelijk een auto die zonder reservewiel geleverd werd. Volgens de man van de garage een ultra-modern idee, want met de huidige techniek ‘nergens meer voor nodig toch, zo’n reservewiel?’ Je kreeg in plaats daarvan een spuitbusje mee met een soort van purschuim waarmee je een lekke band tijdelijk kon oppompen. Dat voelde nooit lekker.
Gelukkig zit er bij de huidige automobiel wel een reservewiel. Nou ja, ergens onder de bagageruimte kwam ik een bescheiden scharminkeltje tegen waarvan ik nu weet dat het in het Nederlands een ‘thuisbrengertje’ heet. Met een sticker erop: niet harder dan 80 km/uur! Alsof je hier op de plattelandsweggetjes ooit harder zou kunnen, tenzij je Verstappen heet én een doodswens hebt.
Met vereende krachten werd de leeglopert (er stak een spijker in, vandaar) vervangen door de thuisbrengert. “Ha! Met verkrachte eenden toch maar mooi voor elkaar!” probeerde ik de echtgenoot nog wat op te monteren. Misplaatste Rotterdamse humor, hij sjokte mismoedig de serre weer in.
In het café weigerde de kroegbazin me te kussen. Op enige afstand maakte ze in gebarentaal duidelijk dat ze griep had, uit de buurt blijven. Maar andere stamgasten zoenden me wel. Er werd niet uitbundig geniest of gehoest, de sfeer was opperbest, we hieven het glas op een mooi 2018.
De volgende ochtend kon ik het bed niet eens meer uitklimmen; doodziek, victime de la grippe. Koorts, hoofd vol doffe watten, geen stem (wat de echtgenoot niet zo erg vond) en amper lucht meer. Dat laatste werd nog eventjes een dingetje. De echtgenoot, niet zo onderlegd in de medische wetenschap, kwam om half zes ’s ochtends met een glas cognac aanzetten, ik verlangde meer naar een ‘ijzeren longetje’, als dat nog zo heet. Of op z’n minst naar assistentie van een arts of een apotheker. Maar ja, in een dorpje als het mijne hebben we die niet.
“Hospitaal dan maar?”, vroeg hij toch een tikkie ongerust door mijn wel uit- maar niet meer inademen. Dat is ongeveer drie kwartier rijden. Met de moed der wanhoop schudde ik nee. Nog even afgezien van dat reservewieltje, er zat ook niet veel brandstof meer in de tank. En een ‘station de service’ hebben we hier ook al niet. Ik heb wat – ondersteund – rondgelopen, dampen uit de hete douche ingeademd en na verloop van tijd kon ik wel weer tussen de klamme lappen geparkeerd worden. Daar heb ik een dag of wat als een vieze slappe vaatdoek gelegen. Boos op die gore rotgriep, boos op mezelf dat ik me toch had laten aansteken. En jawel, het gaat weer, al zou je het niet zeggen als je me de resten van al die snotterij hoort uithoesten. En sinds vanmiddag is er iets van zon, het heeft synchroon met die griep, nogal geregend. Vast een goed teken, dacht ik meteen, dat het met 2018 toch nog in orde komt.
Intussen vertoont de echtgenoot de eerste griepverschijnselen…
Deel dit artikel
Meer inspiratie?
Dan hebben we een suggestie! Lees Côte & Provence magazine 4x per jaar met een eigen abonnement en ontvang een prachtig Frankrijkboek, of koop de actuele editie die nu in de winkel ligt.