Caspar Visser 't Hooft

Mehari-droom

Ik zal wel uit de tijd zijn, wat op zich best bevalt, maar ik ben dus in de verste verte niet zo’n ‘shopper’. Ik heb een gloeiende hekel aan winkelen, altijd al gehad. Qua ‘lifestyle’ anno heden word ik waarschijnlijk ingedeeld in de degradatiezone van de Neanderthalers, mij best. Als het wintert, kun je me spotten in een legerjackie dat ik 40 jaar geleden of zo in een dump in Alkmaar heb gescoord. Niks mis mee, nog geen knoop hoeven vervangen. Ik ben niet zo van de militairen, maar ze hebben (of hadden?) vaak goeie textiele spullen die wel een decennia of wat meegaan. Ik heb ook al jaren een gedumpt Frans legeroverhemd, iets te groot, maar ideaal als er in de tuin wat opgeknapt moet worden.
Nou ja, ik wou maar zeggen dat ik een onvermijdelijke visite aan een winkel, welke dan ook, als een ramp beleef. Daarom maar één keer per week naar de supermarché in de stad verderop. Sjok ik daar met zo’n boodschappenlijst langs de schappen (die om de een of andere reden steeds anders ingedeeld worden) steeds wanhopiger op zoek naar wat ik aan hoogstnoodzakelijke voedselrantsoenen en huishoudproducten nodig heb. Gelukkig hebben ze in mijn dorp op vrijdag altijd een beknopte markt, en is er de bioboer voor het echte lekkers.
En óók erg: tanken! Van de week was het weer zover, seintje op het dashboard dat ik op reserve reed. Nee hè! Ja hè. Er zat niets anders op. Ik snap ook wel dat een auto brandstof verbruikt en het is onzin, maar ik neem ’t hem altijd kwalijk als dat stomme lampje gaat flikkeren en de boel dus bijna op is. Tanken wil zeggen dat je op de een of andere manier uit je ritme wordt gehaald en dat komt altijd ongelegen. Of is het een jeugdtrauma? Als scholiere was ik een tijdje pompbediende. Bij de Caltex. Bestaat dat merk nog? Zwaar onderbetaald en dat gehannes met die slangen vond ik ook niks. Ik heb er in elk geval meer dan één auto rijkelijk mee besproeid.
Op het dorp hebben we geen tankstation, ook geen dokter en geen dierendokter trouwens, zelfs geen apotheek, dus maar weer naar die stad. Ik dacht heel slim: meteen eens laten nakijken of er nog genoeg lucht in de banden zit. ‘Daar moet dringend wat bij’, stelde een monteur vast. Hij knielde bijna biddend voor elk van de de vier wielen en zuchtte ze vol bandenspanning. Ik keek intussen zo’n beetje rond. Er stond een pico-bello glimmende wit/blauwe Citroën Mehari te koop en het was alsof ik per teletijdmachine terug in de tijd werd gekatapulteerd. Lang geleden reed ik in Nederland in zo’n rare plastic jeep-variant van een Eend rond, al bij het geringste zuchtje wind in de Kop van Noord-Holland vloog je eruit. Het was in de tijd dat zo ongeveer alle auto’s van Franse makelij in Nederland verdoemd werden: roest en verder ook onbetrouwbaar. Nog bij dat tankstation herinnerde ik me ineens wat er vroeger over Renaults gezegd werd: ‘Roest En Andere Narigheid Achtervolgen U Lange Tijd’. Ik trok me er toen niets van aan, ik was immers een verslaafde Citroëniste, ik reed Eend, Ami, Mehari, Dyane en later zelfs in een CX. In een dorp verderop woont een Nederlandse vriend die gedateerde Citroëns verzamelt. Ik ga wel eens bij ‘m langs, om een nostalgisch ‘proefritje’ te maken. De monteur had mijn banden opgepompt, ik bleef maar naar die Mehari kijken. Wat een schatje, zou ik…? Er zat als altijd een chequeboek in mijn tas. Ik liep naar binnen en wilde weten wat ie zou moeten kosten. Ik dacht eerst dat ik ’t niet goed verstond. “Voulez vous me répéter le prix, s’il vous plaît?” Maar er was geen misverstand: vraagprijs € 17.500.
Ik rekende € 60 diesel af, gaf die monteur een fooitje en tufte ontdaan naar huis.

Meer inspiratie?

Dan hebben we een suggestie! Lees Côte & Provence magazine 4x per jaar met een eigen abonnement en ontvang een prachtig Frankrijkboek, of koop de actuele editie die nu in de winkel ligt.