Smetvrees
Sinds afgelopen maandag mogen we voor het eerst na twee lange maanden weer zonder ‘Ausweis’ de straat op. Nou, dat was wennen. De dorps-champêtre was er in elk geval nog niet aan gewend, die wilde gewoon weten waar mijn déclaration’ was. “Niet meer nodig” verhoogde zijn argwaan alleen maar. Hij – als gezagdrager – zou toch zeker wel weten hoe het zat. Pas toen de tabagiste, die in de deuropening vanonder een scheefhangend mondkapje een dampertje stond te doen, hem de enorme kop op de dagkrant liet zien, haalde hij de schouders op en liep monkelend weg. Weer een illusie armer, zelfs een beetje handhaven werd hem nog afgenomen. Ooit had hij gedroomd van een carrière bij de echte politie, hij kwam zelfs niet door de voorrondes. Maar zo’n dorpje onder de knoet houden, dat kon hij als de beste. De coronacrisis betekende een buitenkansje qua verbaliserend optreden, en dat was ineens zomaar weg.
Ik stak over naar de épicerie voor wat boodschappen. En mocht niet naar binnen, wegens geen mondkapje. Maar omdat ze me nou eenmaal kende, was Épicerientje toch bereid om de gevraagde waren voor de deur af te leveren. De winkeldeur dus. Daarna mocht ik één stapje naar binnen doen om bij de pin-kassa af te rekenen, terwijl zij zich veilig verschanste achter het plexiglas dat voor het toonbankje was opgetrokken. “Kon ik ergens nog een mondkapje bemachtigen?” vroeg ik.
“Bij de mairie.”
“Die is dicht.”
“Nee hoor, die is gewoon open.”
Ik bedankte haar en ging naar de mairie een eindje verderop. Die was dicht. Ik tuurde door de glazen schuifdeur en zag zowaar achter in de gang enige beweging. Na mijn geklop op de ruit kwam er uiteindelijk een man-met-mondkapje aangeschuifeld. “Of ik ook zo’n kapje kon krijgen?”
“Nee”, was het norse antwoord, “we zijn dicht. Belt u maar voor een afspraak, dan krijgt u misschien een datum waarop u langs mag komen.”
“Krijg ik dan ook zo’n kapje? In de supermarkt en bij de pharmacie zijn ze niet te koop en er is hier ook nergens een uitdeelpunt in de buurt.”
Dat wist hij niet, ze waren bij de mairie in elk geval niet op voorraad. Haastig sloot hij de deur en schuifelde zo snel mogelijk weer naar het eind van de gang, waarschijnlijk om zijn handen te wassen.
Ik snap het best hoor, die smetvrees. Dat rotvirus ís ook levensgevaarlijk en zolang er geen vaccin tegen is, blijft het oppassen geblazen. Sinds de confinement is opgeheven en je de straat weer op mag, is het wereldbeeld behoorlijk veranderd. Op straat en bij de supermarkt in het stadje een paar kilometer verderop ziet het blauw van de mondkapjes. De eerste keer dat ik er na de déconfinement naartoe reed schrok ik trouwens van de drukte op de weg. Zoveel verkeer was ik duidelijk ontwend. Ook op de parkeerplaats was het beduidend drukker dan anders. Ik ga nooit meer dan een keer per week, en dan ook nog op lunchtijd, maar die lunch bleken veel mensen nu toch ook over te slaan.
Ik poetste mijn karretje gewoontegetrouw met een van huis meegebracht wegwerplapje met ontsmettingsmiddel. Na dat geboodschap zou ik mijn handen, mijn betaalpasje, m’n portemonnee, de jeton van het karretje, de autosleutel en nog zo het een en ander met meer van die lapjes poetsen. En ik dacht: ‘getver, ik heb smetvrees! En mensenvrees!’
Nooit ergens last van gehad, maar nu betrap ik me erop dat ik eigenlijk alles wat ik aanraak smerig vind, dat ik terugdeins als er een tegenligger op mijn gangpad komt, dat ik me op gepaste afstand sta te verbijten als er – zoals laatst – een heer(schap) op z’n knieën alle wijnetiketten op de goedkope onderste schappen gaat zitten bestuderen terwijl zijn karretje de route blokkeert. Ik schuif geïrriteerd opzij als iemand bij een toonbank te dicht in m’n buurt komt, als de cassière (of casseur, dat maakt niet uit) de boel na de voorgaande klant niet ontsmet alvorens mijn boodschappen langs de scanner te halen, als ik mijn code op de toetsen van de pinautomaat moet inkloppen…
Ik hoor van mensen dat ze liever thuisblijven in zelfverkozen verlengd confinement, dan weer onder de mensen te gaan. Daar kan ik inkomen. Ik zeg het Fits Abrahams na, die er in NRC over schreef: “Coronavrees dreigt coronawaan te worden. De vrees die ik nog het meest vrees is de smetvrees. […] Van smetvrees ga je krampachtig leven. Dat wil ik niet, maar of je het wilt of niet, het kan je gebeuren. […] Het is duidelijk: we móéten dat virus bij de kladden grijpen – anders hebben we geen leven meer.”
Ik kan hem alleen maar groot gelijk geven.
Deel dit artikel
Meer inspiratie?
Dan hebben we een suggestie! Lees Côte & Provence magazine 4x per jaar met een eigen abonnement en ontvang een prachtig Frankrijkboek, of koop de actuele editie die nu in de winkel ligt.