Columns

Vroeg in de veren

Gebeurt wel vaker hoor, dat bij ons de stroom uitvalt. Of anders wel het internet. Het hoeft maar een beetje te waaien of je kunt erop wachten. De elektriciteitskabels hangen hier nog ‘authentiek’ tussen de bomen. Het idee dat je ze ook zou kunnen begraven is wel bekend, maar ja, kosten/baten bij zo’n dorpje van niks… En doorgaans is de boel na een uurtje of zo wel weer gefikst. Maar afgelopen zondagavond zo tegen zessen was het helemaal mis. Een enorm geflikker en daarna alles zwart, behalve de computerschermen; godzijdank zit er een ‘onduleur’ tussen de kantoorelektronica en het stroomnet. Snel de boel uitgezet en in het pikkeduister de steile trap naar beneden afgestrompeld. Soms ben ik wel blij met een echtgenoot die rookt, is er tenminste een aansteker in de buurt om je bij te lichten tot aan de zaklampen die permanent naast de voordeur staan. En zo kon ik in elk geval de kaarsen terugvinden die voor dit soort calamiteiten slagvaardig klaar staan in de logeerkamer. Al stootte ik wel m’n kop aan de kast, toen ik de echtgenoot – slechts afgetekend door het vuurkegeltje van zijn sigaar- een tweetal kandelaars in handen wilde drukken. Hij mompelde iets over ‘tiers monde’ (derde wereld) en dat het niet zijn idee was geweest om hier te gaan wonen. Ik hield een knetterende Rotterdamse verwensing binnensmonds en schuifelde naar de keuken met de derde kandelaar. Dat viel niet mee, struikelend over twee honden en een kat die – ha fijn, ’t is donker dus etenstijd – je alvast maar even de weg willen wijzen. ‘Effe wachte, pizza!’, mompelde ik; dat krijg je ervan als André van Duin ineens weer op tv is met die geweldige serie ‘Het geheime dagboek van Hendrik Groen’. Maar dat was pas maandag. Nu moest ik de weg voorbereiden voor het dierenavondmaal. Dat valt onder de echtgenoot, maar ik weet op de tast waar alles staat en doe ook nog eens de koelkastdeur dicht als de spullen bijeen gevonden zijn. Het duurde het beestenspul evengoed allemaal te lang. Onder aanvoering van Ché Guevara, zo heeft de echtgenoot de kat gedoopt omdat ie in hondenkringen (en niet alleen daar) voor een gevaarlijke guerrillastrijder wordt gehouden, werden ze hoogst irritant; een godswonder dat er niemand z’n nek heeft gebroken bij al dat gestruikel in het halfduister, maar uiteindelijk kregen ze hun met – zoals altijd op zondag – knoflook ingewreven gamellen met brokken, vlees en olijfolie voorgezet waarna ze, netjes bijgelicht met de zaklamp hun maaltijd konden verorberen. Daarna dan toch maar de gebruikelijke ‘after-dogdinner’-wandeling door de tuin. Koud! Zelfs m’n legerjack, ongeveer 35 jaar geleden gekocht bij een dump in Alkmaar, bleek niet bestand tegen het Siberische geweld van de tramontana die rond gierde. Lang geleden schaatste ik in keiharde winters op stijf bevroren poldersloten. Koud? Hoezo? Kon ik blijkbaar hebben toen. Ik ben er na zoveel jaar subtropen niet meer tegen opgewassen, tegen de ‘frisheid’ van de Noordpool. Ik ben een anti-kou funda geworden. Voorzichtig stapten we na het hondenrondje (de kat was wijselijk binnengebleven) het donkere hol van de huiskamer weer binnen. Koud!
“Hou je jas maar aan”, zei de echtgenoot die met behulp van een zaklantaarn in een of een andere kast een gedateerde Noordhollandse schipperstrui had gescoord. “En heb jij ergens een geheime bergplaats met kaarsen? (Hij kent me.) We zijn op stompjesniveau aangeland.”
Met verse kaarsen in de houders was het mijn beurt om iets in elkaar te draaien. Een ‘bordje op schoot’ om voor de buis de voetbalsamenvattingen te bekijken, was het oorspronkelijke idee. Dat eerste kon nog steeds, ik kook godlof op gas, het werd tonijnpasta. Maar ja, er was geen buis. En ook geen elektrische vloer(bij)verwarming. Voor de houthaard hadden we (ja ja, dom) in afwachting van de winter die maar niet kwam nog geen brandstof ingeslagen. Het was immers een warme herfst tot nu toe: l’hiver, on verra. Misschien kwam er wel helemaal geen winter vanwege ‘climate change’.
Je hebt mensen die het geweldig romantisch vinden om in de donkere dagen voor, en tijdens Kerst bij kaarslicht te dineren. Nou, als je sterft van de kou is de romantiek er snel af. We dronken iets meer dan gebruikelijk (je moet wel warm blijven tenslotte) en benoemden onszelf tot hulpbehoevenden. Gesteund door de dieren begon de echtgenoot zich af te vragen of er in de buurt wellicht een dependance van het Leger des Heils was. Of anders misschien zo’n Resto du Coeur. Ik reageerde maar niet, en pakte voor de laatste keer m’n mobieltje om met het staartje batterij dat me nog restte de EDF te bellen. De standaard blikken boodschap: ‘coupure important sur votre reseau’, maar er werd aan gewerkt.
We probeerden wat te lezen bij kaars- en lantaarnlicht en vroegen ons af wat Ajax, PSV, Nice en Marseille bij elkaar hadden gevoetbald. Van Feyenoord en Monaco wisten we het, die hadden zaterdag al gespeeld. Het werd steeds kouder, lezen lukte steeds minder, de dieren kropen bij elkaar op de bank. Dat werd niks meer, we gingen uit arren moede maar naar bed, nog voor halftien. Ik herinner me niet dat ik ooit eerder in bed ben beland, om te gaan slapen.
Tussen de koude lakens zei ik tegen de echtgenoot dat we eigenlijk toch bevoorrecht zijn. Aangespoelde migranten in trieste tentenkampen, nul voorzieningen, dat was pas erg.
“Nu ff niet ja. Kom maar terug als je warme handen hebt.” Hij draaide zich om en zakte weg in een sonoor gesnurk.
Halverwege de nacht schoot ik overeind: geknipper op de wekkerradio, er was weer stroom! Bijna opgetogen sprong ik uit bed en bezocht het toilet. Mét licht! De echtgenoot werd er zowaar wakker van, zette de tv aan en ging op zoek naar de voetbaluitslagen.
Daarna deed hij ie z’n legerjakkie aan over die rare schipperstrui, schroefde zijn stokoude Donigal tweedhoedje op z’n hoofd en trok in het holst van de ochtend het bos in om hout voor de haard te sprokkelen. Terwijl de ochtend langzaam lichtte zag ik door het keukenraam een soort van SDF-er (Sans Domicile Fixe = dakloze) met een bos kreupelhout op huis aan komen. Mijn honden herkenden ‘m ook niet en begonnen alarmerend te blaffen, de kat schoot onder de bank toen hij binnenkwam.
“Le bonheur en Provence madame!”, klonk het cynisch terwijl hij de haard nieuw leven inblies, de zon de zonnepanelen aan het werk zette en het snel warmer werd in huis.
“Koffie?” vroeg ik neutraal, de vinger reeds aan de knop van het espresso-apparaat. Yes, dat deed het nu ook weer!
“Zmrntnst”, klonk het knorrig.
“Quoi?”
“Zet er maar een neut naast.”
Het werd een mooie dag.

Meer inspiratie?

Dan hebben we een suggestie! Lees Côte & Provence magazine 4x per jaar met een eigen abonnement en ontvang een prachtig Frankrijkboek, of koop de actuele editie die nu in de winkel ligt.